Ballontocht eindigt in Zuiderzee - bron:Leeuwarder Courant  1879

 
Ballonvaarten worden in de negentiende eeuw een populair, maar duur volksvermaak. Vooral Franse ondernemers trekken met hun met gas gevulde ballonnen door Europa. Op kermissen kan het publiek tegen betaling een luchtreis maken. Fanny Godard stamt uit een fameus geslacht van ‘Aeronauten’. Maar ondanks haar ervaring gaat het in Nederland mis.

De Wind bleek zeer onvast en joeg afwisselend uit elke streek tusschen zuid en west, zoodat we niet juist konden nagaan waarheen de weg eigenlijk rigtte, te meer nog daar mevr. Godard de onbegrijpelijke onvoorzigtigheid heeft zonder kompas te reizen. Een klein kompasje dat ik toevallig had meegenomen, overtuigde mij echter voldoende dat we zoowat de rigting van Lemmer namen, en dus in Friesland zouden landen, als de ballon lang genoeg zou drijven, maar dit was niet het geval.

De koude veroorzaakte zamentrekking en de groote hoeveelheid water, die de ballon uit de wolken opnam zwaarte, zoodat we begonnen te dalen. Het eiland Marken vertoonde zich nu links beneden ons, maar bij de geweldige snelheid was het spoedig verdwenen en voeren we nu meer oostelijk op Urk aan.

Hoewel we steeds ballast uitwierpen, bleef de ballon dalen, en daar onze voorraad gevoelig verminderde, oordeelde mevr. Godard verstandiger bij twee kleine visscherschuitjes, de eenige vaartuigen die wij zagen, te dalen en ons door hen te laten opnemen. Met zakdoek en hoed wuivende, trachten we hun aandacht te trekken, maar spoedig bleek ons, dat onze snelheid hunne nadering onmogelijk maakte. Intusschen daalde de ballon steeds, totdat hij plotseling met pijlsnelle vaart voorover op de golven viel, de ballonmand onder water doortrok en ons kletsnat weer eenige meters naar boven voerde.

Ik zag toen mevrouw G. op den bodem der mand liggen, terwijl ze kermend uitriep dat haar arm gebroken was. De ontzettende schok die we ondervonden schijnt op de een of andere wijze een hevige kneuzing of breuk aan haar linkerarm veroorzaakt te hebben. Zoo snel mogelijk wierp ik nu een halve zak zand uit, waardoor we een paar honderd meters stegen, en mevr. G. had nog de tegenwoordigheid van geest het anker te laten zakken, ten einde onze duizelingwekkende vaart zoo mogelijk iets te minderen: daarna viel ze neder en was feitelijk het beheer van onzen ballon overgelaten aan mij, die in dat vak een leek ben. Geen enkel scheepje vertoonde zich aan ons oog: alle hoop vestigden wij op een eenzame driemaster, dien we meer en meer naderden. Herhaaldelijk duikelde de ballon voorover op de golven, om dan weer telkens wat te stijgen als ik ballast uitwierp, tot we eindelijk weer een hoogte van ongeveer 200 meters bereikten.

Van hier trachtte ik het schip te beroepen en wuifde met een zakdoek (mijn hoed was er al bij ingeschoten). Aan boord dacht men, zooals ons later verzekerd werd, aan geen nood: de kapitein leefde in de overtuiging dat we uit aardigheid telkens de zee raakten om dan weer omhoog te gaan. Overtuigd dat we moesten verdrinken, alvorens de overzijde van de zee te halen, besloot ik nabij het schip gekomen: er op of er onder, en trok met beide handen de veiligheidsklep open, waardoor we onmiddellijk als een baksteen in zee vielen.

De half geledigde ballon had nu geen kracht meer tot stijgen, en tot de hals toe in het water – van tijd tot tijd kopje onder – werden we door de wind en zee voortgezweept. Tot overmaat van ramp had ik het touw van de bovenklep losgelaten en kon onze vaart dus niet minderen. Gelukkig begreep men nu aan boord dat we in levensgevaar verkeerden, en het schip trachtte voor den wind met volle zeilen ons te achterhalen.

Na een kwartier gelukte dit werkelijk, en stoote de boeg tegen den zinkenden ballon, waarbij het touwwerk in het tuig bleef hangen. Op dat oogenblik liet ik de touwen, waaraan ik mij tot dusver had vastgehouden, los en bereikte na weinig slagen zwemmend de inmiddels uitgezette sloep, mevrouw Godard, die zich van pijn niet kon bewegen, bleef in de mand liggen, die door de matrozen aan het achterschip hangende werd gehouden. Na eenige minuten roeijens tegen de moeijlijke zee, konden we de mand grijpen en trokken nu ook mevr. G. in de sloep, waarna we aan boord overgingen. We waren juist op het uiterste oogenblik gered: Het was half zes ’s avonds en we bevonden ons op 1 mijl Z.W. van Urk.

 

 
   

Copyright © 2005-2009 Loftpraet.nl All rights Reserved.